Vertaling van Gewinn

Inhoud:

Duits
Nederlands
Gewinn [m] (der ~), Überschuß [m] (der ~), Verdienst [m] (der ~), Vorteil [m] (der ~) {zn.}
winst 
gewin
verdienste
baat  [v]
Ertrag [m] (der ~), Gewinn [m] (der ~), Interesse [o] (das ~), Nutzen [m] (der ~), Überschuß [m] (der ~), Verdienst [m] (der ~), Vorteil [m] (der ~) {zn.}
winst 
voordeel
profijt
gewin
belang  [o]
baat  [v]
zum Anhänger machen, werben, anwerben, gewinnen {ww.}
inwijden
erringen, gewinnen, verdienen, erwerben, einnehmen {ww.}
winnen 
verdienen 
behalen 
Welche Mannschaft wird gewinnen?
Welk team zal winnen?
Er hat nur ein Lebensziel: Geld verdienen.
Hij heeft maar een doel in het leven: geld verdienen.
erlangen, habhaft werden, sich erwerben, erwerben, anschaffen, gewinnen {ww.}
verwerven
behalen 
verkrijgen 
buitmaken
ausziehen, extrahieren, herausziehen, einen Auszug machen, exzerpieren, gewinnen {ww.}
zetten 
afleiden 
zurückgewinnen {ww.}
inhalen
herwinnen