Vertaling van abkaufen
Inhoud:
Duits
Nederlands
kaufen, sich kaufen, einkaufen, abkaufen, erstehen {ww.}
ich werde abkaufen
du wirst abkaufen
er/sie/es wird abkaufen
ik zal kopen
jij zult kopen
hij/zij/het zal kopen
» meer vervoegingen van kopen
Ich muss Briefmarken kaufen.
Ik moet postzegels kopen.
Er kann sich kein Auto kaufen.
Hij kan geen auto kopen.