Vertaling van anhören
Inhoud:
Duits
Nederlands
anhören, aushorchen, zuhören, hinhören, lauschen, hören {ww.}
ich werde anhören
du wirst anhören
er/sie/es wird anhören
ik zal luisteren
jij zult luisteren
hij/zij/het zal luisteren
» meer vervoegingen van luisteren
Die Leute würden ihre Seele dafür verkaufen, dass Konzert von solchen Plätzen aus hören zu können.
Mensen zouden hun ziel verkopen om vanaf deze plaatsen naar het concert te luisteren.
hören, vernehmen, verstehen, anhören, Gehör schenken, sagen hören, mitgeteilt bekommen, erfahren, zu Ohren kommen {ww.}
ich werde anhören
du wirst anhören
er/sie/es wird anhören
ik zal horen
jij zult horen
hij/zij/het zal horen
» meer vervoegingen van horen
Wir hören dich oft singen.
We horen je vaak zingen.
Glaubst du, dass Fische hören können?
Denk jij dat vissen kunnen horen?