Vertaling van anrufen

Inhoud:

Duits
Nederlands
anrufen, zurufen {ww.}
oproepen
praaien
aanroepen 

ich werde anrufen
du wirst anrufen
er/sie/es wird anrufen

ik zal oproepen
jij zult oproepen
hij/zij/het zal oproepen
» meer vervoegingen van oproepen

anrufen {ww.}
opbellen 

ich werde anrufen
du wirst anrufen
er/sie/es wird anrufen

ik zal opbellen
jij zult opbellen
hij/zij/het zal opbellen
» meer vervoegingen van opbellen


Voorbeelden in zinsverband

Duits
Nederlands

Ich werde sie morgen anrufen, wenn ich zurückkomme.

Ik bel ze morgen, als ik weer terug ben.

Kann ich dich innerhalb zwanzig Minuten wieder anrufen?

Kan ik je binnen twintig minuten terugbellen?

Ich werde dich im Laufe des Tages anrufen.

Ik bel je later vandaag.

Sollte während meiner Abwesenheit irgendjemand anrufen, dann sag ihm, dass ich bald zurück sein werde.

Moest iemand me bellen tijdens mijn afwezigheid, zeg hem dan dat ik snel weer terug zal zijn.


Gerelateerd aan anrufen

zurufen