Vertaling van fahren

Inhoud:

Duits
Nederlands
fahren {ww.}
rijden
gaan 
varen 
karren

wir fahren
sie fahren

wij rijden
zij rijden
» meer vervoegingen van rijden

Ich möchte nicht fahren.
Ik wil niet rijden.
Wir fahren morgen los.
We gaan morgen vertrekken.
fahren {ww.}
varen 

wir fahren
sie fahren

wij varen
zij varen
» meer vervoegingen van varen

fahren {ww.}
varen 

wir fahren
sie fahren

wij varen
zij varen
» meer vervoegingen van varen

fahren {ww.}
rijden
vervoeren
chaufferen

wir fahren
sie fahren

wij rijden
zij rijden
» meer vervoegingen van rijden

Ich kann Auto fahren, aber Tom nicht.
Ik kan auto rijden, maar Tom niet.
Es ist gefährlich, so schnell zu fahren.
Het is gevaarlijk om zo snel te rijden.

Voorbeelden in zinsverband

Duits
Nederlands

Kannst du Auto fahren?

Kunt u autorijden?

Ich kann Ski fahren.

Ik kan skiën.

Ich möchte nicht fahren.

Ik wil niet rijden.

Sie fahren zu schnell.

Je rijdt te snel.

Wir fahren morgen los.

We gaan morgen vertrekken.

Wo fahren die Flughafenbusse los?

Waarvandaan vertrekken de bussen naar het vliegveld?

Lasst uns mit dem Auto fahren.

Laten we met de auto gaan.

Es ist spät, ich muß fahren.

Het is laat, ik moet gaan.

Es ist gefährlich, so schnell zu fahren.

Het is gevaarlijk om zo snel te rijden.

Dürfen wir in diesem Park Rollschuh fahren?

Mogen we rolschaatsen in dit park?

Ich kann Auto fahren, aber Tom nicht.

Ik kan auto rijden, maar Tom niet.

Man darf unter Alkoholeinfluss nicht fahren.

Je moet niet rijden onder invloed van drank.

Ich werde Sie zum Flughafen fahren.

Ik breng u wel naar het vliegveld.

Mein Traum ist es, nach Japan zu fahren.

Het is mijn droom naar Japan te gaan.

Das Mädchen ist nicht in der Lage, Fahrrad zu fahren.

Dat meisje kan niet fietsen.