Vervoeging van varen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik vaar
    • jij vaart
    • hij/zij/het vaart
    • wij varen
    • jullie varen
    • zij varen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik voer
    • jij voer
    • hij/zij/het voer
    • wij voeren
    • jullie voeren
    • zij voeren
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gevaren
    • jij hebt gevaren
    • hij/zij/het heeft gevaren
    • wij hebben gevaren
    • jullie hebben gevaren
    • zij hebben gevaren
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gevaren
    • jij had gevaren
    • hij/zij/het had gevaren
    • wij hadden gevaren
    • jullie hadden gevaren
    • zij hadden gevaren
  • Toekomende tijd I

    • ik zal varen
    • jij zult varen
    • hij/zij/het zal varen
    • wij zullen varen
    • jullie zullen varen
    • zij zullen varen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gevaren hebben
    • jij zult gevaren hebben
    • hij/zij/het zal gevaren hebben
    • wij zullen gevaren hebben
    • jullie zullen gevaren hebben
    • zij zullen gevaren hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou varen
    • jij zou varen
    • hij/zij/het zou varen
    • wij zouden varen
    • jullie zouden varen
    • zij zouden varen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gevaren
    • jij zou hebben gevaren
    • hij/zij/het zou hebben gevaren
    • wij zouden hebben gevaren
    • jullie zouden hebben gevaren
    • zij zouden hebben gevaren
  • Imperatief

    • jij vaar
    • jullie vaart

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van varen