Vertaling van glauben

Inhoud:

Duits
Nederlands
glauben {ww.}
geloven
menen
houden voor

wir glauben
sie glauben

wij geloven
zij geloven
» meer vervoegingen van geloven

Sehen ist glauben.
Eerst zien, dan geloven.
Das kann ich kaum glauben.
Ik kan het moeilijk geloven.
Glaube [m] (der ~), Glauben [m] (der ~) {zn.}
geloof 
Ich glaube dir.
Ik geloof je.
Glauben Sie mir einfach.
Geloof me maar gewoon.


Voorbeelden in zinsverband

Duits
Nederlands

Sehen ist glauben.

Eerst zien, dan geloven.

Glauben Sie mir einfach.

Geloof me maar gewoon.

Selbst ich kann das nicht glauben.

Zelfs ik kan het niet geloven.

Die Christen glauben an Jesus Christus.

Christenen geloven in Jesus Christus.

Glauben Sie an die Existenz Gottes?

Geloof je in het bestaan van God?

Ich war dumm genug, es zu glauben.

Ik was dom genoeg om het te geloven.

Warum glauben Sie nicht an Gott?

Waarom geloof jij niet in God?

Und heute Abend denke ich an alles, was sie im Laufe ihres Jahrhunderts in Amerika gesehen hat - den Kummer und die Hoffnung, den Kampf und den Fortschritt, die Zeit, in der wir gesagt bekamen, dass wir nicht können, und die Leute, die am amerikanischen Glauben festhielten: Ja, wir können.

En vanavond denk ik aan alles dat zij in haar eeuw in Amerika heeft gezien; het lief en het leed; het vallen en het opstaan, de keren dat ons gezegd werd dat we het niet kunnen, en de mensen die voortzetten met die Amerikaanse overtuiging: we kunnen het wel.


Gerelateerd aan glauben

Glaube - Glauben