Vertaling van nähren

Inhoud:

Duits
Nederlands
beköstigen, hegen, nähren, ernähren {ww.}
voeden 

wir nähren
sie nähren

wij voeden
zij voeden
» meer vervoegingen van voeden

füttern, ernähren, nähren
voeden
voederen
eten geven
voedsel geven
voeren

Gerelateerd aan nähren

beköstigen - hegen - ernähren - füttern