Vertaling van garment

Inhoud:

Engels
Nederlands
article of dress, garment {zn.}
kledingstuk 
gewaad
garment {zn.}
kledingstuk [o] (het ~)
article of clothing, garment, apparel, dress, garb {zn.}
kleed [o]
kleding  [v]
gewaad
She was wearing an ugly dress.
Ze had een lelijk kleed aan.
She could hardly keep from laughing when she saw the dress.
Ze kon haar lach niet bedwingen toen ze het kleed zag.
to apparel, to clothe, to dress, to enclothe, to fit out, to garb, to garment, to habilitate, to raiment, to tog {ww.}
kleden
aankleden
You are expected to dress well for this shop.
Je dient je correct te kleden voor deze winkel.