Vertaling van grace
Inhoud:
Engels
Nederlands
grace, gracefulness {zn.}
sierlijkheid
grace {zn.}
genade
grace {zn.}
tafelgebed
Grace, grace {zn.}
Gratie
excellency, majesty, sire, grace, highness {zn.}
hoogheid
majesteit
eerwaarde
majesteit
eerwaarde
to adorn, to beautify, to decorate, to embellish, to grace, to ornament {ww.}
optuigen
verfraaien
versieren
opsieren
decoreren
tooien
optooien
opsmukken
verfraaien
versieren
opsieren
decoreren
tooien
optooien
opsmukken
I grace
you grace
we grace
ik tuig op
jij tuigt op
wij tuigen op
» meer vervoegingen van optuigen
to adorn, to beautify, to decorate, to embellish, to grace, to ornament {ww.}
aankleden
I grace
you grace
we grace
ik kleed aan
jij kleedt aan
wij kleden aan
» meer vervoegingen van aankleden
to adorn, to beautify, to decorate, to embellish, to grace, to ornament {ww.}
opluisteren
I grace
you grace
we grace
ik luister op
jij luistert op
wij luisteren op
» meer vervoegingen van opluisteren
to adorn, to beautify, to decorate, to embellish, to grace, to ornament {ww.}
ornamenteren
I grace
you grace
we grace
ik ornamenteer
jij ornamenteert
wij ornamenteren
» meer vervoegingen van ornamenteren