Vertaling van shoe

Inhoud:

Engels
Nederlands
to shoe {ww.}
beslaan 

I shoe
you shoe
we shoe

ik besla
jij beslaat
wij beslaan
» meer vervoegingen van beslaan

shoe, boot {zn.}
schoen  [m]
This shoe is a size bigger.
Deze schoen is een maat groter.
The farrier fitted the shoe to the horse's hoof while the shoe was hot.
De hoefsmid bracht de schoen aan, aan het hoef van het paard, terwijl de schoen heet was.
to shoe {ww.}
schoeien

I shoe
you shoe
we shoe

ik schoei
jij schoeit
wij schoeien
» meer vervoegingen van schoeien

shoe {zn.}
schoen [m] (de ~)
aansteker
shoe {zn.}
trapper
brake shoe, shoe, skid {zn.}
remschoen [m] (de ~)
horseshoe, shoe {zn.}
hoef
hoefijzer [o] (het ~)

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

I went to a shoe store yesterday.

Ik ging gisteren naar de schoenenwinkel.

This shoe is a size bigger.

Deze schoen is een maat groter.

The farrier fitted the shoe to the horse's hoof while the shoe was hot.

De hoefsmid bracht de schoen aan, aan het hoef van het paard, terwijl de schoen heet was.

I bought new shoes at the shoe store.

Ik heb nieuwe schoenen gekocht bij de schoenenwinkel.

The gum adhered to the sole of the shoe.

De kauwgom kleefde aan de schoenzool.


Gerelateerd aan shoe

boot - brake shoe - skid - horseshoecater - object - shoe - shoetree - shoe leather - shoe lace - heel