Vertaling van estar

Inhoud:

Spaans
Nederlands
ser, estar {ww.}
zijn 
wezen
Ella parece estar feliz.
Ze lijkt gelukkig te zijn.
Deben de estar esperándote.
Ze zijn vast op je aan het wachten.

Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

Deben de estar esperándote.

Ze zijn vast op je aan het wachten.

Debo estar viendo cosas.

Ik moet wel dingen zien.

Me gusta estar sola.

Ik ben graag alleen.

Ella parece estar feliz.

Ze lijkt gelukkig te zijn.

¿Vas a estar bien?

Komt alles goed met je?

Debería estar en el colegio.

Ik moet eigenlijk op school zijn.

Él no puede estar enfermo.

Hij kan niet ziek zijn.

¿Él, honesto? ¡Debes estar bromeando!

Hij eerlijk? Laat me niet lachen!

Todo va a estar bien.

Alles komt in orde.

No me debería estar riendo.

Ik zou niet moeten lachen.

Ella debe estar ardiendo en el infierno.

Waarschijnlijk brandt ze in de hel.

No me gustaría estar en su lugar.

Ik zou niet graag in haar schoenen willen staan.

¿Sabes lo que es estar realmente hambriento?

Weet ge wat het is, echt honger hebben?

La abuela de Tom parece estar sana.

Toms grootmoeder ziet er gezond uit.

¿A qué hora debo estar a bordo?

Wanneer moet ik aan boord gaan?


Gerelateerd aan estar

ser