Vertaling van que

Inhoud:

Spaans
Nederlands
que, cual {bn.}
wat een
wat voor
wat voor een soort
que {vw.}
dat 
que {vw.}
dan 
quien, que {vr. vnw.}
wie 
welk 
welke
qué, que cosa
wat 

Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

¡Que aproveche!

Eet smakelijk!

Pensé que tenía que hacerlo.

Ik vond dat ik dat moest doen.

Es más importante lo que eres que lo que tienes.

Wie je bent is belangrijker dan wat je hebt.

Es más importante lo que eres que lo que tienes.

Wie je bent is belangrijker dan wat je hebt.

Puede que hiele la semana que viene.

Volgende week gaat het misschien vriezen.

Haz lo que tienes que hacer.

Doe wat ge moet doen.

Pienso que lo que dices es verdad.

Ik denk dat wat jij zegt waar is.

Eso sería algo que habría que programar.

Dat zou iets zijn wat ik zou moeten programmeren.

Espero que no tengamos que esperar mucho.

Ik hoop dat we niet al te lang hoeven wachten.

¡Desearía que estuvieses muerto!

Ik wou dat je dood was!

Creo que está bien.

Ik denk dat het klopt.

Que descanse en paz.

Rust in vrede.

Tienes que prometerme algo.

Je moet me iets beloven.

¿Tienes algo que declarar?

Heeft u iets aan te geven?

Creo que es verdad.

Ik denk dat het waar is.


Gerelateerd aan que

cual - quien - qué - que cosa