Vertaling van tú

Inhoud:

Spaans
Nederlands
tú {pers. vnw.}
je
jij 
ge
gij
usted, ustedes, tú, vosotras, vosotros {pers. vnw.}
u 
je
jij 
ge
gij
jullie
gijlieden
gijlui
gelui
jelui
jou


Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

Tú me haces soñar.

Ge doet mij dromen.

Tú sigues sin mí.

Ga verder zonder mij.

¿Tú o yo?

Jij of ik?

Tú siempre me criticas.

Ge hebt niets dan kritiek op mij!

Trabajo tanto como tú.

Ik werk evenveel als jij.

¿Tú eres médico?

Bent u een dokter?

Tú siempre llegas atrasado.

Je bent altijd te laat.

¿Tú puedes hacer contabilidad?

Kun je boekhouden?

Tú eres la más alta.

Jij bent de grootste.

Soy más baja que tú.

Ik ben kleiner dan u.

Te quiero más que tú a mí.

Ik hou meer van jou dan jij van mij.

Tú eres muy joven para casarte.

Je bent te jong om te trouwen.

Él vendrá si tú le llamas.

Hij zal komen als ge hem roept.

Ella tiene dos años más que tú.

Ze is twee jaar ouder dan jij.

Tenemos los mismos problemas que tú.

We hebben dezelfde problemen als jij.


Gerelateerd aan tú

usted - ustedes - vosotras - vosotros