Vertaling van tema

Inhoud:

Spaans
Nederlands
tema [m] (el ~), asunto [m] (el ~) {zn.}
thema
onderwerp
stof 
apropos [o]
Nuestro tema de la semana es: ______.
Ons thema van de week is: _____.
Tu pregunta no tiene relación con el tema.
Je vraagt heeft niks met het onderwerp te maken.
temer {ww.}
vrezen
terugschrikken voor
duchten
schromen
bang zijn voor
No tengas miedo, porque no hay nada que temer.
Vrees niet, want er is niets te vrezen.

Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

Ellos trataron el tema por teléfono.

Ze bespraken het via de telefoon.

Nuestro tema de la semana es: ______.

Ons thema van de week is: _____.

Tu pregunta no tiene relación con el tema.

Je vraagt heeft niks met het onderwerp te maken.

Tom le ha contado a Mary todo lo que sabe acerca del tema.

Tom heeft aan Mary alles gezegd wat hij over de situatie weet.


Gerelateerd aan tema

asunto - temer