Vertaling van magasin

Inhoud:

Frans
Nederlands
magasin [m] (le ~) {zn.}
zaak 
boutique [v] (la ~), magasin [m] (le ~) {zn.}
winkel 
boetiek
zaak 
Il est allé au magasin.
Hij ging naar de winkel.
Il est allé au magasin.
Hij ging naar de winkel.


Voorbeelden in zinsverband

Frans
Nederlands

Il est allé au magasin.

Hij ging naar de winkel.

Il est allé au magasin.

Hij ging naar de winkel.

Vend-on des cahiers dans ce magasin ?

Verkopen ze schriften in die winkel?

Le magasin vend des fruits et légumes.

De winkel verkoopt groenten.

Je l'ai vu entrer dans le magasin.

Ik zag hem de winkel binnengaan.

Elle a acheté ce stylo dans ce magasin.

Ze heeft deze pen bij die winkel gekocht.

"-Aimeriez-vous acheter un complet ?" demanda le propriétaire du magasin à Dima alors que ce dernier, en franchissant la porte, amenait avec lui les odeurs de la nuit précédente.

"Wilt u een pak kopen?" vroeg de verkoopster aan Dima, die de geuren van de nacht ervoor met zich meebracht toen hij door de deur liep.


Gerelateerd aan magasin

boutique