Vertaling van voie

Inhoud:

Frans
Nederlands
route [v] (la ~), voie [v] (la ~) {zn.}
spoor
baan  [v]
Il y a du givre sur la route.
Er is ijzel op de baan.
Prends n'importe quel train sur la voie 5.
Neem om het even welke trein op spoor 5.
chemin [m] (le ~), route [v] (la ~), voie [v] (la ~) {zn.}
weg  [m]
route [v]
baan  [v]
La route va de Tokyo à Osaka.
De weg loopt van Tokio tot Osaka.
Pouvez-vous me montrer le chemin pour l'arrêt de bus ?
Kun je me de weg naar de bushalte tonen?
voir {ww.}
zien 
Laissez-moi voir.
Laat zien.
Le voir, c'est le croire.
Eerst zien, dan geloven.


Voorbeelden in zinsverband

Frans
Nederlands

Elle va suivre sa propre voie.

Ze zal haar eigen manier hebben.

Prends n'importe quel train sur la voie 5.

Neem om het even welke trein op spoor 5.


Gerelateerd aan voie

route - chemin - voir