Vertaling van passato

Inhoud:

Italiaans
Nederlands
passato {bn.}
gewezen
voormalig
vroeger 
passato {bn.}
afgelopen 
laatstleden
verleden
verschenen
vervlogen
voorbij
passato {zn.}
verleden
verleden tijd
Possiamo registrare il passato e il presente.
We kunnen het verleden en het heden registreren.
passare {ww.}
verdrijven
aanreiken 
doorbrengen
aangeven 

io ho passato
tu hai passato
lui/lei/Lei ha passato

ik heb verdreven
jij hebt verdreven
hij/zij/het heeft verdreven
» meer vervoegingen van verdrijven

passare, promuovere, riuscire, ammettere {ww.}
halen
slagen 

io ho passato
tu hai passato
lui/lei/Lei ha passato

ik heb gehaald
jij hebt gehaald
hij/zij/het heeft gehaald
» meer vervoegingen van halen



Voorbeelden in zinsverband

Italiaans
Nederlands

Ha passato il test?

Is hij geslaagd voor de proef?

Tutto era migliore in passato.

Vroeger was alles beter.

Possiamo registrare il passato e il presente.

We kunnen het verleden en het heden registreren.


Gerelateerd aan passato

passare - promuovere - riuscire - ammettere