Vertaling van via

Inhoud:

Italiaans
Nederlands
via {zn.}
straat  [v]
cammino, corsia, pista, strada, via {zn.}
weg  [m]
route [v]
baan  [v]
La strada è lunga.
De weg is lang.
Il ragazzo corse via.
De jongen liep weg.


Voorbeelden in zinsverband

Italiaans
Nederlands

Il ragazzo corse via.

De jongen liep weg.

Ha iniziato a urlare e sono scappato via.

Ze begon te schreeuwen, en ik liep weg.

Non riesco a trovare Tom. È già andato via?

Ik kan Tom niet vinden. Is hij al weg?

Non è stato molto intelligente da parte tua buttare via quella nota.

Dat is niet zo erg snugger van je, dat je dat briefje hebt weggegooid.

Tom prende sempre in giro John per via del suo dialetto.

Tom spot altijd met John om zijn dialect


Gerelateerd aan via

cammino - corsia - pista - strada