Vertaling van plus

Inhoud:

Nederlands
Engels
plus {bw.}
plus
pluspunt [o] (het ~), pré, prae, pre [m] (de/het ~), winstpunt, plus [m] (de/het ~), voordeel [o] (het ~) {zn.}
advantage
vantage
Lange spelers hebben een voordeel in basketbal.
In basketball, tall players have an advantage.
Als je de zwaartekracht in je voordeel kunt gebruiken, doe dat dan.
If you can use gravity to your advantage, do so.
pluspool, plus [m] (de/het ~) {zn.}
positive magnetic pole
positive pole
north-seeking pole
plusteken [o] (het ~), optelteken, plus [m] (de/het ~) {zn.}
plus sign
overschot [o] (het ~), surplus [o] (het ~), teveel [o] (het ~), plus [m] (de/het ~) {zn.}
surplusage
nimiety
surplus
excess

Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Twee plus twee is vier.

Two plus two makes four.

Vijf plus drie is acht.

Five plus three is eight.

Vijf plus twee is zeven.

Five plus two equals seven.

Vijf plus drie is acht.

Five and three is eight.


Gerelateerd aan plus

pluspunt - pré - prae - pre - winstpunt - voordeel - pluspool - plusteken - optelteken - overschot - surplus - teveelomstandigheid - pool - teken - deel