Vertaling van streek

Inhoud:

Nederlands
Engels
streek [m] (de ~) {zn.}
point
compass point
foefje [o], kneep, kunstgreep, streek, stunt, toer, truc {zn.}
trick 
shenanigan
wile
subterfuge 
stunt 
artifice 
Dat is een oude truc.
That's an old trick.
haal, schrap, schreef, streek, streep {zn.}
stroke
dash 
streak 
gebied, gewest, regio, streek, landstreek {zn.}
area 
region 
district 
zone 
Hij kent de streek op zijn duimpje.
He knows the area like the back of his hand.
Iedere keer dat hij ontsnapte keerde hij terug naar dit gebied.
Each time he escaped, he returned to this region.
kompasstreek, windstreek, streek {zn.}
rhumb
streek [m] (de ~) {zn.}
area
region
streek [m] (de ~) {zn.}
stroke
streek [m] (de ~) {zn.}
trick
put-on
prank
joke
caper
antic
strijken, gladstrijken {ww.}
to iron 

ik streek
jij streek
hij/zij/het streek

I ironed
you ironed
he/she/it ironed
» meer vervoegingen van to iron

laten zakken, neerhalen, strijken {ww.}
to lower 

ik streek
jij streek
hij/zij/het streek

I lowered
you lowered
he/she/it lowered
» meer vervoegingen van to lower

laten zakken, neerlaten, strijken, vellen {ww.}
to lower 
to drop 

ik streek
jij streek
hij/zij/het streek

I lowered
you lowered
he/she/it lowered
» meer vervoegingen van to lower

strijken {ww.}
to strike 

ik streek
jij streek
hij/zij/het streek

I struck
you struck
he/she/it struck
» meer vervoegingen van to strike

gouw, land [o] (het ~), landstreek [m] (de ~), regio [m] (de ~), gewest [o] (het ~), streek [m] (de ~) {zn.}
country
area
Ze verlieten hun land.
They abandoned their country.
Japan is een rijk land.
Japan is a rich country.
voegen, invoegen, strijken {ww.}
to point
to repoint

ik streek
jij streek
hij/zij/het streek

I pointed
you pointed
he/she/it pointed
» meer vervoegingen van to point

strijken {ww.}
to bow

ik streek
jij streek
hij/zij/het streek

I bowed
you bowed
he/she/it bowed
» meer vervoegingen van to bow

strijken {ww.}
to brush

ik streek
jij streek
hij/zij/het streek

I brushed
you brushed
he/she/it brushed
» meer vervoegingen van to brush

strijken {ww.}
to gather in
to take in

ik streek

strijken {ww.}
to iron
to iron out
to press

ik streek
jij streek
hij/zij/het streek

I ironed
you ironed
he/she/it ironed
» meer vervoegingen van to iron

strijken {ww.}
to brush

ik streek
jij streek
hij/zij/het streek

I brushed
you brushed
he/she/it brushed
» meer vervoegingen van to brush


Gerelateerd aan streek

foefje - kneep - kunstgreep - stunt - toer - truc - haal - schrap - schreef - streep - gebied - gewest - regio - landstreek - kompasstreekdeel - haal - daad - gebied - afwerken - opstoppen - bespelen - wrijven - neerhalen - gladden - strijken - schuiven