Vertaling van toen

Inhoud:

Nederlands
Engels
toen, dan {bw.}
then 
at that time
toen {vw.}
when 
toen {bw.}
next


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Toen waren we jonger.

We were younger then.

Was je toen op school?

Were you at school at that time?

"Val!" riep hij toen hij haar herkende.

"Val!" he shouted when he recognized her.

Toen waren er nog geen radio's.

There were no radios in those days.

Ze was mooi toen ze jong was.

She was beautiful when she was young.

Ze kon lezen toen ze vier was.

She could read when she was four.

Het honkballeven was toen ten einde.

His baseball life ended then.

Toen ik wakker werd, sneeuwde het.

When I awoke, it was snowing.

Toen hij bijkwam, lag hij in het park.

When he came to, he was lying in the park.

Toen ik nog klein was, geloofde ik in de kerstman.

When I was a child, I believed in Santa Claus.

Deze foto herinnert me aan toen ik een student was.

This picture reminds me of when I was a student.

Ik heb leren fietsen toen ik zes was.

I learned how to ride a bike when I was six years old.

Toen ik het treinstation verliet zag ik een man.

Leaving the train station I saw a man.

Ik was zeer blij toen ik dat nieuws vernam.

I was very happy when I heard that news.

Toen ze studeerde, ging ze vaak naar de discotheek.

When she was a student, she used to go to the disco often.


Gerelateerd aan toen

dandaarna