Vertaling van plek
Inhoud:
Nederlands
Spaans
lokaal, plaats , plek, oord {zn.}
sitio
Leg het terug op zijn plaats, alstublieft.
Por favor, devuélvelo a su sitio.
"Ja, dat ben ik," zei Al-Sayib. "Maar er is er minstens één van ons in elk land. En we houden allemaal van Fanta en van noobs op hun plaats zetten."
—Sí, soy yo —dijo Al-Sayib—; pero hay al menos uno de nosotros en cada país. Y a todos nos gusta la Fanta, igual que poner a los novatos en su sitio.
klad, klak, moet, mop, plek, smet, vlek {zn.}
mácula
mancha
mancha
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Spaans
Tom heeft een kale plek.
Tom tiene una calva.
Ze was op de verkeerde plek op het verkeerde moment.
Ella estaba en el lugar incorrecto en el momento incorrecto.
Het was beleefd van hem om zijn plek aan de oude man te geven.
Fue muy cortez de él ofrecer su asiento al anciano.