Vertaling van vrij

Inhoud:

Nederlands
Spaans
los, onbelemmerd, onbezet, open, vlot, vrij, vrijgesteld {bn.}
libre
gratis, kosteloos, vrij {bn.}
gratuito
basta, genoeg, nogal, tamelijk, vrij, voldoende {bw.}
bastante
het hof maken, scharrelen, vrijen {ww.}
galantear
cortejar

ik vrij

yo galanteo
» meer vervoegingen van galantear



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Spaans

Het is vrij koud.

Hace bastante frío.

Ik ben vrij!

¡Soy libre!

Ik ben vrij op zondag.

Estoy libre el domingo.

Tom neemt een paar dagen vrij.

Tom se está tomando un par de días libres.

Hij heeft een week vrij genomen.

Se tomó una semana libre.

De Japanse economie ontwikkelde zich vrij snel.

La economía japonesa se desarrolló rápidamente.

Dat is iets dat vrij vaak gebeurt.

Eso es algo que pasa muy a menudo.

Hij beval hen om de gevangenen vrij te laten.

Él les ordenó liberar a los prisioneros.

Ik werkte op zondag, dus ik had maandag vrij.

Trabajé el domingo, así que tuve el lunes libre.