Vertaling van wandelen
Inhoud:
Nederlands
Spaans
aan de wandel zijn, lopen, tippelen, wandelen {ww.}
pasear
wij wandelen
jullie wandelen
zij wandelen
nosotros paseamos
vosotros paseáis
ellos/ellas pasean
» meer vervoegingen van pasear
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Spaans
Wil je echt wandelen?
¿De verdad quieres caminar?
Ze gaat graag alleen wandelen.
A ella le gusta salir a caminar sola.
Het maakt me niet uit om in de regelen te wandelen.
No me molesta caminar bajo la lluvia.