Vertaling van arbeiden

Inhoud:

Nederlands
Frans
arbeiden, werken {ww.}
travailler 

wij arbeiden
jullie arbeiden
zij arbeiden

nous travaillons
vous travaillez
ils/elles travaillent
» meer vervoegingen van travailler

Een mens moet werken.
Un homme doit travailler.
Ik moest op zondag werken.
Je dus travailler dimanche.


Gerelateerd aan arbeiden

werken