Vertaling van werken
wij werken
jullie werken
zij werken
nous opérons
vous opérez
ils/elles opèrent
» meer vervoegingen van opérer
wij werken
jullie werken
zij werken
nous fonctionnons
vous fonctionnez
ils/elles fonctionnent
» meer vervoegingen van fonctionner
wij werken
jullie werken
zij werken
nous travaillons
vous travaillez
ils/elles travaillent
» meer vervoegingen van travailler
wij werken
jullie werken
zij werken
nous varions
vous variez
ils/elles varient
» meer vervoegingen van varier
Voorbeelden in zinsverband
Een mens moet werken.
Un homme doit travailler.
Veel studenten werken deeltijds.
Beaucoup d'étudiants font des boulots à temps partiel.
Het zal niet werken.
Ça ne marchera pas.
Letterlijke vertalingen werken niet.
Les traductions littérales ne fonctionnent pas.
Vandaag moet ge niet werken.
Tu n'as pas à travailler aujourd'hui.
Ik moest op zondag werken.
Je dus travailler dimanche.
Ze werken niet eens een beetje.
Ils ne travaillent pas même un peu.
Honderden mensen werken in die fabriek.
Des centaines de personnes travaillent dans cette usine.
Ik wil onder deze omstandigheden niet werken.
Je ne veux pas travailler dans de telles conditions.
Ze begint om zeven uur met werken.
Elle commence son travail à sept heures.
Het is te warm om te werken.
Il fait trop chaud pour travailler.
Ik zou niet graag in een ziekenhuis werken.
Je n'aimerais pas travailler dans un hôpital.
Ik kon niet gaan werken want ik was ziek.
Je n'ai pas pu aller travailler parce que j'étais malade.
De dokter adviseerde hem om niet meer teveel te werken.
Le docteur lui a conseillé d'arrêter de travailler autant.
Bijna alle werknemers weigerden te werken tijdens de nacht.
Presque tous les travailleurs ont refusé de travailler la nuit.