Vertaling van passen

Inhoud:

Nederlands
Frans
gelegen komen, passen, schikken, uitkomen, voegen, betamen {ww.}
convenir 

wij passen
jullie passen
zij passen

nous convenons
vous convenez
ils/elles conviennent
» meer vervoegingen van convenir

betamen, horen, behoren, passen, voegen {ww.}
être décent 
beproeven, passen, aanpassen, proberen, toetsen, uitproberen {ww.}
essayer 

wij passen
jullie passen
zij passen

nous essayons
vous essayez
ils/elles essayent; essaient
» meer vervoegingen van essayer

Mag ik deze jurk passen?
Puis-je essayer cette robe ?
Deze keer zal ik het proberen.
Cette fois, je vais essayer ça.
pas (mv. passen) [m], paspoort [o] {zn.}
passeport  [m] (le ~)
Ik ben mijn paspoort kwijt!
J'ai perdu mon passeport !
Wilt u me uw paspoort even laten zien alstublieft?
Voulez-vous me montrer votre passeport, s'il vous plait ?
pas (mv. passen), schrede, stap, tred, voetstap {zn.}
pas  [m] (le ~)
Nog één stap en je bent dood.
Un pas de plus et tu es un homme mort.
We hebben uw brief gisteren pas ontvangen.
Nous n'avions pas reçu ta lettre jusqu'à hier.
alleen, enkel, maar, pas (mv. passen), slechts, uitsluitend {bw.}
ne ... que
seulement 
bergpas [m], pas (mv. passen) {zn.}
col  [m] (le ~)
juist, net, pas (mv. passen), straks, zojuist, zoëven, daarnet, daarstraks, zonet {bw.}
justement 
à l'instant 


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Frans

Ze passen perfect bij elkaar.

Ils conviennent parfaitement l'un à l'autre.

Mag ik het eens passen?

Est-ce que je peux l'essayer ?

Die schoenen passen niet met het pak.

Ces chaussures ne sont pas assorties au costume.

Deze brillen passen me niet goed, ze zijn te groot.

Ces lunettes ne me vont pas bien. Elles sont trop grandes.