Vertaling van wandelen

Inhoud:

Nederlands
Frans
aan de wandel zijn, lopen, tippelen, wandelen {ww.}
se promener 
Hij ging wandelen.
Il est allé se promener.
Ze gaat graag alleen wandelen.
Elle aime se promener seule.
wandeling [v], tippel, wandelen {zn.}
promenade  [v] (la ~)
Hoe was je wandeling?
Comment était ta promenade ?
Wil je een korte wandeling maken?
Que dites-vous de sortir pour une brève promenade ?


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Frans

Hij ging wandelen.

Il est allé se promener.

Ze gaat graag alleen wandelen.

Elle aime se promener seule.

Hij is buiten aan het wandelen.

Il est dehors en train de se promener.


Gerelateerd aan wandelen

aan de wandel zijn - lopen - tippelen - wandeling - tippel