Vertaling van appel

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
appel {zn.}
appel {zn.}
Ik eet een appel.
Ik eet een appel.
Hij schetst een appel.
Hij schetst een appel.
appel, beroep [o], appèl, regres {zn.}
appel
beroep [o]
appèl
regres {zn.}
Zij eet een appel.
Zij eet een appel.
Ik heb de appel opgegeten.
Ik heb de appel opgegeten.
appel [o], samenscholing [v] {zn.}
appel [o]
samenscholing [v] {zn.}
Dit is ook een appel.
Dit is ook een appel.
appel [o], convocatie [v] {zn.}
appel [o]
convocatie [v] {zn.}
appel [m] {zn.}
appel [m] {zn.}


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Ik eet een appel.

Ik eet een appel.

Hij schetst een appel.

Hij schetst een appel.

Zij eet een appel.

Zij eet een appel.

Ik heb de appel opgegeten.

Ik heb de appel opgegeten.

Dit is ook een appel.

Dit is ook een appel.

Deze appel is erg rood.

Deze appel is erg rood.

Er ligt één appel op de tafel.

Er ligt één appel op de tafel.

Ze sneed de appel in twee.

Ze sneed de appel in twee.

Hij is een appel aan het eten.

Hij is een appel aan het eten.

Er ligt een appel op tafel.

Er ligt een appel op tafel.

Gisteren heb ik een appel gegeten.

Gisteren heb ik een appel gegeten.

Ze nam een hap uit de appel.

Ze nam een hap uit de appel.

Er ligt een appel op tafel.

Er ligt een appel op tafel.

De appel valt niet ver van de boom.

De appel valt niet ver van de boom.

In de boomgaard achter hun boerderij stonden appel- en perenbomen.

In de boomgaard achter hun boerderij stonden appel- en perenbomen.


Gerelateerd aan appel

beroep - appèl - regres - samenscholing - convocatie