Vertaling van hek

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
hek [o], versperring [v], barrière [v], heining [v], afsluiting [v] {zn.}
hek [o]
versperring [v]
barrière [v]
heining [v]
afsluiting [v] {zn.}
Ik verfde het hek groen.
Ik verfde het hek groen.
Twee kinderen zitten op een hek.
Twee kinderen zitten op een hek.
hek [o], traliehek, rooster [o], afrastering [v] {zn.}
hek [o]
traliehek
rooster [o]
afrastering [v] {zn.}
De hond liet zijn tanden zien en gromde toen ik het hek benaderde.
De hond liet zijn tanden zien en gromde toen ik het hek benaderde.
hek [o] {zn.}
hek [o] {zn.}
hek [o] (het ~), hekwerk [o] (het ~) {zn.}
hek [o] (het ~)
hekwerk [o] (het ~) {zn.}
hek [o] (het ~), toegangshek {zn.}
hek [o] (het ~)
toegangshek {zn.}
hek {zn.}
hek {zn.}
hek [o] (het ~) {zn.}
hek [o] (het ~) {zn.}


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Ik verfde het hek groen.

Ik verfde het hek groen.

Twee kinderen zitten op een hek.

Twee kinderen zitten op een hek.

De hond liet zijn tanden zien en gromde toen ik het hek benaderde.

De hond liet zijn tanden zien en gromde toen ik het hek benaderde.