Vertaling van jubelen
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
jubelen {ww.}
jubelen {ww.}
ik jubel
jij jubelt
hij/zij/het jubelt
ik jubel
jij jubelt
hij/zij/het jubelt
» meer vervoegingen van jubelen
juichen, jubelen {ww.}
juichen
jubelen {ww.}
jubelen {ww.}
ik jubel
jij jubelt
hij/zij/het jubelt
ik juich
jij juicht
hij/zij/het juicht
» meer vervoegingen van juichen
juichen, jubelen {ww.}
juichen
jubelen {ww.}
jubelen {ww.}
ik jubel
jij jubelt
hij/zij/het jubelt
ik juich
jij juicht
hij/zij/het juicht
» meer vervoegingen van juichen
jubelen, juichen {ww.}
jubelen
juichen {ww.}
juichen {ww.}
ik jubel
jij jubelt
hij/zij/het jubelt
ik jubel
jij jubelt
hij/zij/het jubelt
» meer vervoegingen van jubelen