Vertaling van maaien

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
maaien, zichten {ww.}
maaien
zichten {ww.}

ik maai
jij maait
hij/zij/het maait

ik maai
jij maait
hij/zij/het maait
» meer vervoegingen van maaien

Mijn moeder vertelde me het gras te maaien.
Mijn moeder vertelde me het gras te maaien.
Twee keer in de week kwam de tuinman om het gras te maaien, daarom kon ik nooit in het lange gras liggen.
Twee keer in de week kwam de tuinman om het gras te maaien, daarom kon ik nooit in het lange gras liggen.
maaien {ww.}
maaien {ww.}

ik maai
jij maait
hij/zij/het maait

ik maai
jij maait
hij/zij/het maait
» meer vervoegingen van maaien

maaien, afrijden {ww.}
maaien
afrijden {ww.}

ik rijd af
jij rijdt af
hij/zij/het rijdt af

ik maai
jij maait
hij/zij/het maait
» meer vervoegingen van maaien



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Mijn moeder vertelde me het gras te maaien.

Mijn moeder vertelde me het gras te maaien.

Twee keer in de week kwam de tuinman om het gras te maaien, daarom kon ik nooit in het lange gras liggen.

Twee keer in de week kwam de tuinman om het gras te maaien, daarom kon ik nooit in het lange gras liggen.


Gerelateerd aan maaien

zichten - afrijdenverroeren - afsnijden