Vertaling van zichten

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
zichten {ww.}
zichten {ww.}

ik zicht
jij zicht
hij/zij/het zicht

ik zicht
jij zicht
hij/zij/het zicht
» meer vervoegingen van zichten

maaien, zichten {ww.}
maaien
zichten {ww.}

ik maai
jij maait
hij/zij/het maait

ik maai
jij maait
hij/zij/het maait
» meer vervoegingen van maaien

Mijn moeder vertelde me het gras te maaien.
Mijn moeder vertelde me het gras te maaien.
Twee keer in de week kwam de tuinman om het gras te maaien, daarom kon ik nooit in het lange gras liggen.
Twee keer in de week kwam de tuinman om het gras te maaien, daarom kon ik nooit in het lange gras liggen.
zicht (mv. zichten), sikkel {zn.}
zicht (mv. zichten)
sikkel {zn.}
Ik herkende Mary bij het eerste zicht.
Ik herkende Mary bij het eerste zicht.
gezicht [o], zicht (mv. zichten), gezichtsvermogen {zn.}
gezicht [o]
zicht (mv. zichten)
gezichtsvermogen {zn.}
Je gezicht is bleek.
Je gezicht is bleek.
Was je gezicht.
Was je gezicht.
zicht {zn.}
zicht {zn.}
zicht (mv. zichten) [o] (het ~) {zn.}
zicht (mv. zichten) [o] (het ~) {zn.}
inzicht [o] (het ~), oordeel [o] (het ~), zicht (mv. zichten) [o] (het ~), prudentie, doorzicht {zn.}
inzicht [o] (het ~)
oordeel [o] (het ~)
zicht (mv. zichten) [o] (het ~)
prudentie
doorzicht {zn.}
Het oordeel van de rechter is definitief.
Het oordeel van de rechter is definitief.
Na de daad komt de dwaas tot inzicht
Na de daad komt de dwaas tot inzicht
gezicht [o] (het ~), horizon [m] (de ~), zicht (mv. zichten) [o] (het ~), blikveld [o] (het ~), gezichtsveld [o] (het ~) {zn.}
gezicht [o] (het ~)
horizon [m] (de ~)
zicht (mv. zichten) [o] (het ~)
blikveld [o] (het ~)
gezichtsveld [o] (het ~) {zn.}
Hij heeft een brede horizon.
Hij heeft een brede horizon.
Zijn gezicht werd rood.
Zijn gezicht werd rood.
gezichtsvermogen [o] (het ~), gezicht [o] (het ~), zicht (mv. zichten) [o] (het ~) {zn.}
gezichtsvermogen [o] (het ~)
gezicht [o] (het ~)
zicht (mv. zichten) [o] (het ~) {zn.}