Vertaling van neer

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
Neer {eigenn.}
Neer {eigenn.}
neer [m] (de ~), kolk [m] (de ~), maalstroom [m] (de ~), draaikolk [m] (de ~) {zn.}
neer [m] (de ~)
kolk [m] (de ~)
maalstroom [m] (de ~)
draaikolk [m] (de ~) {zn.}
Meneer Gorbatsjov, haal deze muur neer!
Meneer Gorbatsjov, haal deze muur neer!
Ze lag neer op de grond en begon te lezen.
Ze lag neer op de grond en begon te lezen.
naar beneden, neerwaarts, omlaag, neer {bw.}
naar beneden
neerwaarts
omlaag
neer {bw.}
neerbuigen {ww.}
neerbuigen {ww.}

ik buig neer
jij buigt neer
hij/zij/het buigt neer

ik buig neer
jij buigt neer
hij/zij/het buigt neer
» meer vervoegingen van neerbuigen

zich neerlaten, neerdalen {ww.}
zich neerlaten
neerdalen {ww.}

ik daal neer
jij daalt neer
hij/zij/het daalt neer

ik daal neer
jij daalt neer
hij/zij/het daalt neer
» meer vervoegingen van neerdalen

neerbuigen {ww.}
neerbuigen {ww.}

ik buig neer
jij buigt neer
hij/zij/het buigt neer

ik buig neer
jij buigt neer
hij/zij/het buigt neer
» meer vervoegingen van neerbuigen

neerdalen {ww.}
neerdalen {ww.}

ik daal neer
jij daalt neer
hij/zij/het daalt neer

ik daal neer
jij daalt neer
hij/zij/het daalt neer
» meer vervoegingen van neerdalen



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Meneer Gorbatsjov, haal deze muur neer!

Meneer Gorbatsjov, haal deze muur neer!

Ze lag neer op de grond en begon te lezen.

Ze lag neer op de grond en begon te lezen.


Gerelateerd aan neer

Neer - kolk - maalstroom - draaikolk - naar beneden - neerwaarts - omlaag - neerbuigen - zich neerlaten - neerdalenwending - dalen