Vertaling van opeten
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
opeten, verorberen {ww.}
opeten
verorberen {ww.}
verorberen {ww.}
ik zal opeten
ik zou opeten
jij zult opeten
ik zal opeten
ik zou opeten
jij zult opeten
» meer vervoegingen van opeten
Ik wil het opeten.
Ik wil het opeten.
Je moet het niet opeten.
Je moet het niet opeten.
opeten, verschalken, verorberen, opvreten {ww.}
opeten
verschalken
verorberen
opvreten {ww.}
verschalken
verorberen
opvreten {ww.}
ik zal opeten
ik zou opeten
jij zult opeten
ik zal opeten
ik zou opeten
jij zult opeten
» meer vervoegingen van opeten
opeten {ww.}
opeten {ww.}
ik zal opeten
ik zou opeten
jij zult opeten
ik zal opeten
ik zou opeten
jij zult opeten
» meer vervoegingen van opeten
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Nederlands
Ik wil het opeten.
Ik wil het opeten.
Je moet het niet opeten.
Je moet het niet opeten.