Vertaling van plank

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
plank, schap {zn.}
plank
schap {zn.}
De plank vroor aan de grond vast.
De plank vroor aan de grond vast.
Hij plaatste het boek op de plank.
Hij plaatste het boek op de plank.
bord [o], plank [v], tablet [o] {zn.}
bord [o]
plank [v]
tablet [o] {zn.}
Hij plaatste het boek op de plank.
Hij plaatste het boek op de plank.
Ze zette haar cd's op een rijtje op de plank.
Ze zette haar cd's op een rijtje op de plank.
plank [m] (de ~) {zn.}
plank [m] (de ~) {zn.}
Hij nam de zware doos van de plank.
Hij nam de zware doos van de plank.


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

De plank vroor aan de grond vast.

De plank vroor aan de grond vast.

Hij plaatste het boek op de plank.

Hij plaatste het boek op de plank.

Hij plaatste het boek op de plank.

Hij plaatste het boek op de plank.

Ze zette haar cd's op een rijtje op de plank.

Ze zette haar cd's op een rijtje op de plank.

Hij nam de zware doos van de plank.

Hij nam de zware doos van de plank.


Gerelateerd aan plank

schap - bord - tabletvoorwerp