Vertaling van rendez-vous

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
afspraak [v], rendez-vous {zn.}
afspraak [v]
rendez-vous {zn.}
Ik heb een afspraak met de dokter.
Ik heb een afspraak met de dokter.
Zouden we vandaag een afspraak maken?
Zouden we vandaag een afspraak maken?
afspraakje [o] (het ~), rendez-vous [o] (het ~) {zn.}
afspraakje [o] (het ~)
rendez-vous [o] (het ~) {zn.}
Ik heb om zes uur een afspraakje met hem.
Ik heb om zes uur een afspraakje met hem.


Gerelateerd aan rendez-vous

afspraak - afspraakjeontmoeting