Vertaling van sim

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
vissnoer [o], snoer [o], vislijn [v], sim, hengelsnoer [o] {zn.}
vissnoer [o]
snoer [o]
vislijn [v]
sim
hengelsnoer [o] {zn.}
aap [m], sim [v] {zn.}
aap [m]
sim [v] {zn.}
Hé, kijk, een driekoppige aap!
Hé, kijk, een driekoppige aap!
Een aap beklimt een hoge boom.
Een aap beklimt een hoge boom.
sim, dobber [m] (de ~) {zn.}
sim
dobber [m] (de ~) {zn.}
sim {zn.}
sim {zn.}
simpen, simmen, drenzen, jengelen, dreinen {ww.}
simpen
simmen
drenzen
jengelen
dreinen {ww.}

ik drein
jij dreint
hij/zij/het dreint

ik simp
jij simpt
hij/zij/het simpt
» meer vervoegingen van simpen



Gerelateerd aan sim

vissnoer - snoer - vislijn - hengelsnoer - aap - dobber - simpen - simmen - drenzen - jengelen - dreinenvistuig - drijver - snoer - zeuren - antenne