Vertaling van tuin

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
tuin [m] (de ~), gaarde, hof [m] (de ~), gaard [m] (de ~) {zn.}
tuin [m] (de ~)
gaarde
hof [m] (de ~)
gaard [m] (de ~) {zn.}
Wat een prachtige tuin.
Wat een prachtige tuin.
Mijn tuin is klein.
Mijn tuin is klein.
tuinieren, tuinen {ww.}
tuinieren
tuinen {ww.}

ik tuin
jij tuint
hij/zij/het tuint

ik tuinier
jij tuiniert
hij/zij/het tuiniert
» meer vervoegingen van tuinieren

Tuinieren is al enkele jaren populair.
Tuinieren is al enkele jaren populair.
Ze was een handboek aan het lezen over tuinieren.
Ze was een handboek aan het lezen over tuinieren.


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Mijn tuin is klein.

Mijn tuin is klein.

Wat een prachtige tuin.

Wat een prachtige tuin.

Meneer White's tuin is groot.

Meneer White's tuin is groot.

Ik kom uit de tuin.

Ik kom uit de tuin.

Helen speelt in de tuin.

Helen speelt in de tuin.

Hadden we maar een tuin!

Hadden we maar een tuin!

Je tuin heeft wat aandacht nodig.

Je tuin heeft wat aandacht nodig.

De tuin stond vol mooie gele bloemen.

De tuin stond vol mooie gele bloemen.

De honden zijn in de tuin.

De honden zijn in de tuin.

Hij sproeit de tuin eenmaal per week.

Hij sproeit de tuin eenmaal per week.

Er zijn veel appelbomen in de tuin.

Er zijn veel appelbomen in de tuin.

Alle bloemen in de tuin zijn geel.

Alle bloemen in de tuin zijn geel.

Er waren geen rozen in de tuin.

Er waren geen rozen in de tuin.

De tuin is leeg en bruin.

De tuin is leeg en bruin.

De kerstman stond in de tuin.

De kerstman stond in de tuin.


Gerelateerd aan tuin

gaarde - hof - gaard - tuinieren - tuinenterrein - perk