Vertaling van vanzelfsprekend
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
vanzelfsprekend {bw.}
vanzelfsprekend {bw.}
vanzelfsprekend, logisch {bn.}
vanzelfsprekend
logisch {bn.}
logisch {bn.}
vanzelfsprekend {bw.}
vanzelfsprekend {bw.}
begrijpelijk, bevattelijk, duidelijk, vanzelfsprekend {bn.}
begrijpelijk
bevattelijk
duidelijk
vanzelfsprekend {bn.}
bevattelijk
duidelijk
vanzelfsprekend {bn.}
natuurlijk, allicht, vanzelf, vanzelfsprekend {bw.}
natuurlijk
allicht
vanzelf
vanzelfsprekend {bw.}
allicht
vanzelf
vanzelfsprekend {bw.}
logisch, vanzelfsprekend, natuurlijk {bn.}
logisch
vanzelfsprekend
natuurlijk {bn.}
vanzelfsprekend
natuurlijk {bn.}