Vertaling van voertuig
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
wagen, voertuig, vehikel, rijtuig {zn.}
wagen
voertuig
vehikel
rijtuig {zn.}
voertuig
vehikel
rijtuig {zn.}
Hij heeft een buitenlandse wagen.
Hij heeft een buitenlandse wagen.
Mijn vader en meneer Kimura hebben dezelfde wagen.
Mijn vader en meneer Kimura hebben dezelfde wagen.
voertuig , tuig, vehikel {zn.}
voertuig
tuig
vehikel {zn.}
tuig
vehikel {zn.}
Open nooit de deur van een voertuig in beweging.
Open nooit de deur van een voertuig in beweging.
Ik ga liever te voet dan in een voertuig vervoerd te worden.
Ik ga liever te voet dan in een voertuig vervoerd te worden.
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Nederlands
Open nooit de deur van een voertuig in beweging.
Open nooit de deur van een voertuig in beweging.
Ik ga liever te voet dan in een voertuig vervoerd te worden.
Ik ga liever te voet dan in een voertuig vervoerd te worden.