Vertaling van zich uitstrekken
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
zich uitstrekken, gaan liggen {ww.}
zich uitstrekken
gaan liggen {ww.}
gaan liggen {ww.}
zich neerleggen, zich uitstrekken, gaan liggen {ww.}
zich neerleggen
zich uitstrekken
gaan liggen {ww.}
zich uitstrekken
gaan liggen {ww.}
zich uitrekken, zich uitstrekken, zich rekken {ww.}
zich uitrekken
zich uitstrekken
zich rekken {ww.}
zich uitstrekken
zich rekken {ww.}
lopen, zich uitstrekken, reiken {ww.}
lopen
zich uitstrekken
reiken {ww.}
zich uitstrekken
reiken {ww.}
Kan je lopen?
Kan je lopen?
De baby kan lopen.
De baby kan lopen.