Vertaling van zuster

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
zuster [v], verpleegster [v], ziekenzuster [v], ziekenverpleegster [v] {zn.}
zuster [v]
verpleegster [v]
ziekenzuster [v]
ziekenverpleegster [v] {zn.}
Ze is verpleegster.
Ze is verpleegster.
Ze werd verpleegster.
Ze werd verpleegster.
zuster [v], kloosterzuster [v] {zn.}
zuster [v]
kloosterzuster [v] {zn.}
Mijn zuster is beroemd.
Mijn zuster is beroemd.
Ze kocht een woordenboek voor haar zuster.
Ze kocht een woordenboek voor haar zuster.
zus [v], zuster [v] {zn.}
zus [v]
zuster [v] {zn.}
Mijn zus is mooi.
Mijn zus is mooi.
Pedro heeft geen zus.
Pedro heeft geen zus.
zuster [v] (de ~) {zn.}
zuster [v] (de ~) {zn.}
Uw zuster is mooi als altijd.
Uw zuster is mooi als altijd.
Ik heb een geschenk aanvaard van zijn zuster.
Ik heb een geschenk aanvaard van zijn zuster.
zuster [v] (de ~) {zn.}
zuster [v] (de ~) {zn.}
Zijn oudere zuster is ouder dan mijn oudste broer.
Zijn oudere zuster is ouder dan mijn oudste broer.
broer [m], zus [v], zuster [v], broeder [m] {zn.}
broer [m]
zus [v]
zuster [v]
broeder [m] {zn.}
Mijn zus is ouder dan mijn broer.
Mijn zus is ouder dan mijn broer.
Zijn oudere zuster is ouder dan mijn oudste broer.
Zijn oudere zuster is ouder dan mijn oudste broer.
zuster [v] (de ~), verpleegster [v] (de ~), ziekenzuster {zn.}
zuster [v] (de ~)
verpleegster [v] (de ~)
ziekenzuster {zn.}
De verpleegster is in het wit gekleed.
De verpleegster is in het wit gekleed.
Het is haar droom verpleegster te worden.
Het is haar droom verpleegster te worden.
zus [v] (de ~), zuster [v] (de ~), zusje {zn.}
zus [v] (de ~)
zuster [v] (de ~)
zusje {zn.}
Mijn zusje gaat naar de kleuterschool.
Mijn zusje gaat naar de kleuterschool.
O mijn kleine zusje, waarom zeg je niets tegen me?
O mijn kleine zusje, waarom zeg je niets tegen me?
non [v] (de ~), religieuze [v] (de ~), zuster [v] (de ~) {zn.}
non [v] (de ~)
religieuze [v] (de ~)
zuster [v] (de ~) {zn.}


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Mijn zuster is beroemd.

Mijn zuster is beroemd.

Ze kocht een woordenboek voor haar zuster.

Ze kocht een woordenboek voor haar zuster.

Uw zuster is mooi als altijd.

Uw zuster is mooi als altijd.

Ik heb een geschenk aanvaard van zijn zuster.

Ik heb een geschenk aanvaard van zijn zuster.

Zijn oudere zuster is ouder dan mijn oudste broer.

Zijn oudere zuster is ouder dan mijn oudste broer.

Ik ging naar de dierentuin met mijn zuster.

Ik ging naar de dierentuin met mijn zuster.

Zijn zuster kan vandaag niet met u spreken.

Zijn zuster kan vandaag niet met u spreken.

Mijn zuster heeft twee zonen, dus ik heb twee neven.

Mijn zuster heeft twee zonen, dus ik heb twee neven.

Zijn oudere zuster is ouder dan mijn oudste broer.

Zijn oudere zuster is ouder dan mijn oudste broer.

De echtgenoot van de zuster van mijn vader is mijn oom.

De echtgenoot van de zuster van mijn vader is mijn oom.