Vertaling van zwichten
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
zwichten, wankelen, wiebelen, waggelen {ww.}
zwichten
wankelen
wiebelen
waggelen {ww.}
wankelen
wiebelen
waggelen {ww.}
ik waggel
jij waggelt
hij/zij/het waggelt
ik zwicht
jij zwicht
hij/zij/het zwicht
» meer vervoegingen van zwichten
overgeven, zwichten, platgaan, cederen, capituleren, bezwijken {ww.}
overgeven
zwichten
platgaan
cederen
capituleren
bezwijken {ww.}
zwichten
platgaan
cederen
capituleren
bezwijken {ww.}
ik bezwijk
jij bezwijkt
hij/zij/het bezwijkt
ik geef over
jij geeft over
hij/zij/het geeft over
» meer vervoegingen van overgeven
Ik moest overgeven.
Ik moest overgeven.
Liefde overwint alles (laten wij ons ook overgeven)
Liefde overwint alles (laten wij ons ook overgeven)