Vertaling van gaan

Inhoud:

Nederlands
Portugees
gaan, kleppen, klinken, overgaan, slaan {ww.}
soar
bater
gaan, karren, rijden, varen {ww.}
ir
rodar
viajar
andar
Ik wil niet alleen gaan.
Não quero ir sozinho.
Wij moeten naar school gaan.
Precisamos ir à escola.
gaan, lopen, van stapel lopen, verlopen, zich begeven {ww.}
ir
caminhar
andar
Ik wil naar een hotel toe gaan.
Quero ir a um hotel.
Mag ik naar huis gaan?
Posso ir para a minha casa?
gaan, lopen, te voet gaan {ww.}
ir à pé
een weg afleggen, gaan, voorbijgaan {ww.}
andar
caminhar
handelen, gaan {ww.}
tratar de


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Portugees

Ik moet gaan slapen.

Preciso dormir.

Laten we verder gaan.

Movamo-nos.

Mag ik naar huis gaan?

Posso ir para a minha casa?

Ik wil niet alleen gaan.

Não quero ir sozinho.

Wij moeten naar school gaan.

Precisamos ir à escola.

Laat ons vanmiddag gaan tennissen.

Joguemos tênis esta tarde.

Hoe gaan we daar komen?

Como vamos chegar lá?

Laten we uit eten gaan vanavond.

Vamos comer fora hoje à noite.

We gaan uit eten op vrijdag.

Nós vamos sair para comer na sexta-feira.

We zouden iets dan dit gaan doen.

Deveríamos fazer algo assim.

Ik wil ergens naartoe gaan in Europa.

Quero ir para algum lugar da Europa.

Je moet vroeg naar bed gaan.

Você deveria ir para a cama cedo.

Ik wil deze namiddag niet buiten gaan.

Não quero sair esta tarde.

Waarom gaan mensen naar de cinema?

Por que as pessoas vão ao cinema?

Het zal zonder twijfel gaan regenen.

Vai chover, com certeza.