Vertaling van wassen
Inhoud:
Nederlands
Zweeds
de was doen, wassen, uitwassen {ww.}
tvätta
de was doen, logen, wassen {ww.}
tvätta
mengen, mixen, temperen, vermengen, verwarren, wassen {ww.}
sammanblanda
blanda
blanda
gedijen, groeien, toenemen, wassen, aanwassen {ww.}
växa
gro
gro