Vertaling van Gesicht

Inhoud:

Duits
Nederlands
Angesicht [o] (das ~), Antlitz [o] (das ~), Gesicht [o] (das ~) {zn.}
gezicht  [o]
facie
gelaat [o]
aangezicht  [o]
toet [m]
porem
Wasch dir das Gesicht.
Was je gezicht.
Ihr Gesicht wurde plötzlich rot.
Haar gezicht werd plotseling rood.
Erscheinung [v] (die ~), Gesicht [o] (das ~), Vision {zn.}
gezicht  [o]
droombeeld [o]
droomgezicht [o]
visioen 
Du bist ganz bleich im Gesicht.
Je gezicht is bleek.
Sie schlug ihm ins Gesicht.
Zij sloeg hem in het gezicht.
Aussehen [o] (das ~), Gesicht [o] (das ~), Sehen, Sicht [v] (die ~) {zn.}
gezicht  [o]
zicht 
gezichtsvermogen
Wasch dir das Gesicht und die Hände.
Was je gezicht en je handen.
Aussehen [o] (das ~), Äußere [o] (das ~), Gesicht [o] (das ~), Miene [v] (die ~) {zn.}
gezicht  [o]
uiterlijk
gelaatsuitdrukking [v]
air  [o]
uitzicht

Voorbeelden in zinsverband

Duits
Nederlands

Wasch dir das Gesicht.

Was je gezicht.

Ihr Gesicht wurde plötzlich rot.

Haar gezicht werd plotseling rood.

Sie schlug ihm ins Gesicht.

Zij sloeg hem in het gezicht.

Wasch dir das Gesicht und die Hände.

Was je gezicht en je handen.

Du bist ganz bleich im Gesicht.

Je gezicht is bleek.

Ich wasche mir jeden Morgen das Gesicht.

Ik was mijn gezicht iedere ochtend.

Er wischte sich den Schweiß vom Gesicht.

Hij veegde het zweet van zijn gezicht af.

Der Clown machte ein lustiges Gesicht.

De clown trok een grappig gezicht.

Ryoko hat ein süßes kleines Gesicht.

Ryoko heeft een schattig klein gezicht.

Ein Schwall von Schweiß begann mein Gesicht herab zu strömen.

Een waterval van zweet stroomde naar beneden over mijn gezicht.

Ich wasche mein Gesicht immer mit Wasser und Seife.

Ik was altijd mijn gezicht met water en zeep.


Gerelateerd aan Gesicht

Angesicht - Antlitz - Erscheinung - Vision - Aussehen - Sehen - Sicht - Äußere - Miene