Vervoeging van aanbevelen

Onbepaalde wijs (infinitief): aanbevelen
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik beveel aan
    • jij beveelt aan
    • hij/zij/het beveelt aan
    • wij bevelen aan
    • jullie bevelen aan
    • zij bevelen aan
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik beval aan
    • jij beval aan
    • hij/zij/het beval aan
    • wij bevalen aan
    • jullie bevalen aan
    • zij bevalen aan
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb aanbevolen
    • jij hebt aanbevolen
    • hij/zij/het heeft aanbevolen
    • wij hebben aanbevolen
    • jullie hebben aanbevolen
    • zij hebben aanbevolen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had aanbevolen
    • jij had aanbevolen
    • hij/zij/het had aanbevolen
    • wij hadden aanbevolen
    • jullie hadden aanbevolen
    • zij hadden aanbevolen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal aanbevelen
    • jij zult aanbevelen
    • hij/zij/het zal aanbevelen
    • wij zullen aanbevelen
    • jullie zullen aanbevelen
    • zij zullen aanbevelen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal aanbevolen hebben
    • jij zult aanbevolen hebben
    • hij/zij/het zal aanbevolen hebben
    • wij zullen aanbevolen hebben
    • jullie zullen aanbevolen hebben
    • zij zullen aanbevolen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou aanbevelen
    • jij zou aanbevelen
    • hij/zij/het zou aanbevelen
    • wij zouden aanbevelen
    • jullie zouden aanbevelen
    • zij zouden aanbevelen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben aanbevolen
    • jij zou hebben aanbevolen
    • hij/zij/het zou hebben aanbevolen
    • wij zouden hebben aanbevolen
    • jullie zouden hebben aanbevolen
    • zij zouden hebben aanbevolen
  • Imperatief

    • jij beveel aan
    • jullie beveelt aan

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van aanbevelen