Vervoeging van aanbreken


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik breek aan
    • jij breekt aan
    • hij/zij/het breekt aan
    • wij breken aan
    • jullie breken aan
    • zij breken aan
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik brak aan
    • jij brak aan
    • hij/zij/het brak aan
    • wij braken aan
    • jullie braken aan
    • zij braken aan
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb aangebroken
    • jij hebt aangebroken
    • hij/zij/het heeft aangebroken
    • wij hebben aangebroken
    • jullie hebben aangebroken
    • zij hebben aangebroken
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had aangebroken
    • jij had aangebroken
    • hij/zij/het had aangebroken
    • wij hadden aangebroken
    • jullie hadden aangebroken
    • zij hadden aangebroken
  • Toekomende tijd I

    • ik zal aanbreken
    • jij zult aanbreken
    • hij/zij/het zal aanbreken
    • wij zullen aanbreken
    • jullie zullen aanbreken
    • zij zullen aanbreken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal aangebroken hebben
    • jij zult aangebroken hebben
    • hij/zij/het zal aangebroken hebben
    • wij zullen aangebroken hebben
    • jullie zullen aangebroken hebben
    • zij zullen aangebroken hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou aanbreken
    • jij zou aanbreken
    • hij/zij/het zou aanbreken
    • wij zouden aanbreken
    • jullie zouden aanbreken
    • zij zouden aanbreken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben aangebroken
    • jij zou hebben aangebroken
    • hij/zij/het zou hebben aangebroken
    • wij zouden hebben aangebroken
    • jullie zouden hebben aangebroken
    • zij zouden hebben aangebroken
  • Imperatief

    • jij breek aan
    • jullie breekt aan

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van aanbreken